Discussie en evaluatie

Zoals bij ‘Hoe ga ik te werk’ genoemd, zijn er in dit onderzoek weinig respondenten. De twee die input geleverd hebben waren beide betrokken bij GroenLinks en DWARS en zijn waardevolle bronnen. Contact leggen met de derde respondent is niet verder van de grond gekomen helaas. In totaal maakt dit dat het onzeker is in hoeverre het geschetste beeld overeenkomt met de werkelijkheid. Het is daarom aan te raden dit onderzoek op te schalen en te kijken naar DWARS organisaties van andere provincies, alsmede de contacten tussen andere lokale GL afdelingen met DWARS. Het is ook aan te raden onderzoek te doen naar relaties tussen andere politieke jongerenorganisaties en gerelateerde lokale politieke afdelingen. De verzamelde data geeft aanleiding te vermoeden dat de mate van informele en formele relaties sterk verschillen tussen organisaties en ook fluctueren in de tijd.

Het gebruiken van de componenten verzameld door Truwant (2007) is niet zo passend voor het beantwoorden van de deelvragen in dit onderzoek. Het was beter om de data te categoriseren per deelvraag zodat er een duidelijker antwoord geformuleerd kon worden. Aan de andere kant was het ook beter geweest om andere deelvragen als uitgangspunt te nemen, gezien gaandeweg in het onderzoek duidelijk werd dat standpunten en actiepunten te kleine onderdelen zijn van de grotere vraag naar de (organisatorische) relatie tussen politieke jongerenorganisaties en lokale afdelingen van politieke partijen. Ook de laatste deelvraag over de communicatie en samenwerking dekt niet breed genoeg de verhoudingen tussen beide organisaties. Desalniettemin ben ik bij het beantwoorden van deze deelvragen wel breder gegaan en meerdere aspecten gedekt, wat uiteindelijk heeft geleid tot nuttige overwegingen, conclusie en concrete aanbevelingen.

Bestaand onderzoek (Van der Hulst, 2015; Truwant, 2007) focust voornamelijk op de relaties op nationaal niveau. Het voorgestelde hoefijzermodel in dit onderzoek is een veelbelovend model om te tonen dat de meeste relaties tussen DWARS en GroenLinks nationaal formeel geregeld zijn, maar dat de relaties op lokaal niveau niet geïnstitutionaliseerd zijn en afhankelijk van de cultuur, houding en bereidwilligheid van de lokale organisaties. Door te putten uit bestaand onderzoek voor ten eerste de verhouding tussen politieke partijen lokaal en nationaal, ten tweede de verhouding tussen politieke jongerenorganisaties lokaal en nationaal en ten derde de verhouding tussen politieke jongerenorganisaties lokaal en nationaal, en vervolgens meer onderzoek te doen naar de relatie tussen lokale afdelingen van politieke partijen en lokale afdelingen van politieke jongerenorganisaties, kan het hoefijzermodel voltooid en gegeneraliseerd worden.

Hoefijzermodel gefocust op GL lokaal en DWARS Brabant

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *